Download onze app..

..voor de beste ervaring op een mobiel apparaat.

Download voor iOS

Download voor Android

Lambèr van den Elsen neemt afscheid als voorzitter RKVV Erp.

Want Lambèr zit vol van de club. Van RKVV Erp. De club die al zo’n zestig jaar de zijne is. Zo vol dat hij geen vraag of aanmoediging nodig heeft. Hij praat vrijwel onafgebroken. Drie uur lang. Thuis, aan de keukentafel. Valt van de ene anekdote in de andere. Schiet van een memorabele herinnering aan een bepalende speler uit de jaren zestig naar een recent akkefietje binnen de club. Hij praat. Eerlijk. Open. Dankbaar. Licht emotioneel af en toe zelfs.Verliest af en toe de draad in zijn verhaal. Omdat hij misschien wel te veel wil vertellen. Ook eigenlijk te veel te vertellen heeft over de club. Nee, niet over hem. Maar over de club. Want Lambèr is ‘slechts’ bijzaak, zegt hij zelf. Een van de vele, vele mensen die zich inzet voor de club die in zijn hart zit; die zijn ‘kindje’ is. “Ik vind dat je iedere dag leuke dingen moet doen”, vertelt hij. “Iedere dag plezier moet hebben in wat je doet. En ik houd nu eenmaal van voetbal. Van jongs af aan al. Ik was vijf of zes toen ik al iedere zondag naar het eerste elftal ging kijken. Ik heb sindsdien nauwelijks een wedstrijd gemist. Die band met de club is zo sterk. Daarom ook dat ik me altijd met heel mijn hart in heb willen zetten voor de club; omdat zij mij veel meer heeft gebracht dan ik de club …” <b>Tweede thuis</b> Er lijkt hem iets te binnen te schieten. Hij staat op. Neemt me mee naar de woonkamer, waar de tafel vol ligt met stapels boeken. ‘Dagboeken van de voorzitter’. In A4 formaat. Elk meer dan honderd pagina’s dik. Met daarin verslagen, verhalen, ideeën en persoonlijke ervaringen die stuk voor stuk zijn gelardeerd met foto’s. Ter illustratie: alleen al het vorige seizoen- “het seizoen waarin zich het wonder van Erp voltrok en het eerste promoveerde naar de eerste klasse; wat een topprestatie van de selectie”- is drie boeken dik. Alles staat erin, bezweert hij. Echt alles. Hij bladert. Zoekt. En praat intussen door. Wat wilde ik ook al weer vertellen, vraagt hij dan. “Och kijk. Dit is toch prachtig.” Hij toont een foto van hem zelf. Op het sportpark, met aan de hand kleinzoon Hannes. “Geen groot talent, hoor. Maar wat voelt hij zich hier thuis. Die rol van de club als soort van tweede thuis ben ik me pas echt gaan realiseren toen ik opa werd. Het sporten, het bewegen, maar vooral ook het rekening leren houden met elkaar; het samenwerken. Dat je dat als club kunt brengen, dat is zo waardevol.” Even denkt hij na. “Die waarde wordt ook wel eens onderschat, vind ik. Ook door de overheid. Wij spelen met het eerste tegen clubs die zich naar mijn idee nauwelijks een club mogen noemen. Die een eerste elftal hebben met dikbetaalde spelers en maar een paar teams daar nog onder. Dat is alles. En de overheid subsidieert ook die clubs. Dat steekt me wel eens. Terwijl wij hier geen cent betalen aan spelers en een club zijn met zo’n 800 leden. Maar goed, dat even terzijde. Waar hadden we het ook alweer over …?” <b>Overgangsfase</b> In 1988 deed Lambèr van den Elsen zijn intrede in het bestuur van de voetbalvereniging. In 2001 werd hij voorzitter, nadat hij eerder al eens als vicevoorzitter de honneurs van zijn voorganger Piet van den Broek had waargenomen. “Het was voor iedereen min of meer een uitgemaakte zaak dat ik voorzitter zou worden, behalve voor mezelf. Misschien had ik wel veel beter tot mijn recht gekomen als bestuurslid technische zaken. Ik weet het niet. Maar ik wilde de verantwoordelijkheid zeker ook niet uit de weg gaan.” Want de club zat op dat moment organisatorisch in een overgangsfase. Een aantal jaren daarvoor was een jeugdplan opgesteld. “Er werd altijd redelijk ad hoc bestuurd. Het jeugdplan, dat overigens voor een groot deel op het conto van Piet Vaessen kan worden geschreven, was de eerste aanzet om meer lijn in de vereniging te brengen. Toen dat plan eenmaal stevig in de steigers stond, hebben we dat uitgebreid met een verenigingsplan. Daar plukken we nog steeds de vruchten van. Want het feit dat we nu als club zo goed presteren, zowel in de jeugd als bij de senioren, vindt daar zijn oorsprong.” <b>Kartrekkers</b> at het de club sportief en sociaal-maatschappelijk voor de wind gaat, wil niet zeggen dat er geen dingen zijn te verbeteren, vergeet Van den Elsen niet om te benadrukken. “Het kan altijd beter. We hebben een nieuw kunstgrasveld nodig; eigenlijk twee. Omdat de velden bar en bar slecht zijn. Maar ook voetbaltechnisch staan we continu voor nieuwe uitdagingen. Voetbal als sport ontwikkelt zich namelijk door. Het spelletje wordt steeds sneller. Er zit veel meer beweging in. Ook als club moeten we ons blijven ontwikkelen. Hoe? Zoals Johan Cruijff dat bij Ajax heeft gedaan: zorgen dat goede voetballers betrokken worden en blijven bij de jeugd. Er zijn in korte tijd verschillende spelers met een trainersdiploma gestopt als jeugdtrainer. Dat is ontzettend jammer. Verandering en vernieuwing begint bij de jeugd. Daar hebben we kartrekkers nodig.” Hij glimlacht. “Nu komt het misschien over dat ik die prestaties het belangrijkste van alles vind. En ik weet dat ik het verwijt wel eens krijg dat ik te fanatiek ben. Ik wil nu eenmaal presteren. Altijd. Dat zit in de aard van het beestje. Ik weet nog dat mijn ouders nooit naar het voetbalveld zijn komen kijken. Zelfs niet toen we met vijf broers in het eerste stonden. De toenmalige voorzitter leek hen dat gebrek aan clubliefde niet kwalijk te nemen. Je hebt ons iets veel belangrijkers geschonken, zei hij mijn vader ooit eens: een half elftal.” Hij is fanatiek. Hij zal de laatste zijn om dat te ontkennen. “Maar weet je waar ik het meeste van geniet? De Harry Opheij’s, mensen als Joop Derks, Bart van den Tillaart, Mart van den Elzen, Henk Verbruggen en heel veel anderen die zich al zo veel jaren met zo veel passie en plezier voor de club inzetten. Mensen die de club in hun hart hebben zitten. Of wat dacht je van Nicky Adam en Dennis Aalbers, die allebei sinds kort in het bestuur zitten? Jonge mensen bij wie je een enorme, oprechte drive vindt om zich in te zetten voor de club. Het zijn mensen die de club voelen en voeden. Mensen op wie we zuinig moeten zijn en die we aan onze club moeten binden; omdat dit de mensen zijn die juist ook voor binding zorgen.” <b>Afscheid</b> Vorig jaar maakte hij bekend dat hij dit najaar de voorzittershamer over wilde geven aan een ander. Waarom? Een korte stilte. Een aarzeling. En een ontwijkend antwoord in eerste instantie. Waarin hij nog eens benoemt dat hij het altijd als belangrijkste taak als voorzitter heeft beschouwd om te zorgen dat de club bij elkaar blijft. Dat er natuurlijk wel eens conflicten zijn. “Dat is onvermijdelijk. Er zit zo veel passie. Zo veel betrokkenheid. Dat zorgt wel eens voor spanningen en emoties. Kunst is om daar uiteindelijk altijd het belang van de club in te laten prevaleren. Dat heb ik altijd als mijn verantwoordelijkheid gevoeld. Het belang van de club staat voorop. Altijd.” Maar waarom stopt hij als voorzitter? Opnieuw een korte stilte. “Ik weet het niet. Het is denk ik puur ingegeven door mijn gevoel. Het is er de tijd voor…” Of hij een goede voorzitter is geweest? “Ik ben zoals ik ben”, zegt hij. “En dat is niet zonder gebreken. Dat weet ik maar al te best. Maar wie is dat wel? … Vorig jaar heb ik eens een jongen aangesproken op zijn gedrag in de kantine. Hij verontschuldigde zich daarop. En was het met me eens dat zijn gedrag niet in de kantine thuishoorde. Dat vond ik stoer van hem om dat toe te geven en dat zei ik hem ook. Weet je wat hij daarop zei? Lambèr, zei hij, dat doe ik omdat ik respect heb voor jou. Dat vond ik zo mooi. Daar kan ik nog emotioneel van worden. Maar of ik het goed gedaan heb? Ach, het enige wat ik kan zeggen over mijn tijd als voorzitter is dat ik mijn best heb gedaan. En dat zal ik blijven doen: mijn best. De club voelt als een kindje van me. En daar blijf je altijd voor klaar staan. Toch?” Tekst: Jeroen Vissers